Interview met Kees Klok

Standard

Welke zijn de belangrijkste inspiratiebronnen voor uw gedichten?

Die zijn heel divers. Vaak zijn het persoonlijke herinneringen en ervaringen. Ik reageer soms nogal secondair, met andere woorden, ik dicht vaak over dingen die mij lang geleden aangrepen. Uiteraard zijn de grote thema’s: liefde, dood en het onvermijdelijk verstrijken van de tijd, in mijn werk aanwezig. Dichten is voor mij ook een poging tot het bezweren van de tijd.

U heeft een zeer leesbaar en interessant blog. Daarnaast, heeft u ook een rol in het grootste Nederlandse poëzieblog De Contrabas. Wat zijn de overeenkomsten en wat de verschillen van schrijven voor internet ten opzicht van de traditionele, gedrukte literaire tijdschriften?

De overeenkomst is gelegen in de onderwerpen waarover ik schrijf. Hoewel mijn weblog kan gaan over letterlijk alles, is het toch vooral de literatuur en de geschiedenis die er een rol in spelen. Dat is uiteraard met de “traditionele” tijdschriften ook zo. Een belangrijk verschil is dat je niet met een redactie te maken heb, althans niet op mijn eigen weblog. Dat heeft enerzijds het nadeel dat er niemand meeleest, die je voor blunders kan behoeden, maar dat kun je opvangen door zelf iemand te laten meelezen.

Het voordeel is dat je niet met een redactie werkt. Mijn ervaring met de meeste tijdschriften is dat redacties bestaan uit goedwillende vrijwilligers, die maar een beperkt deel van hun tijd in het tijdschrift kunnen steken. Dat betekent vaak eindeloos lang wachten tot er een beslissing over je inzending is genomen. Helaas is het ook zo dat sommige tijdschriftredacties bijzonder ongemanierd en respectloos met auteurs omgaan en weinig prijs stellen op een fatsoenlijke communicatie. Dat is beslist niet bij ieder tijdschrift het geval, maar wel bij te veel.

Met welke criteria kiest u de dichters die u vertaalt en diegene die u op Stanza presenteert?

Het belangrijkste criterium om een dichter voor Stanza te selecteren is het belang voor de geïnteresseerde lezer van een kennismaking met de dichter. Daarnaast moet het werk mij zelf aanspreken. Dat laatste is het belangrijkste criterium bij het vertalen door mijzelf van dichters. Het werk moet mij boeien. Een ander criterium is de “vertaalbaarheid”. In potentie moet van de brontekst een goed Nederlandse gedicht gemaakt kunnen worden.

Denkt u dat het Nederlandse publiek voornamelijk Nederlandse en Vlaamse poëzie leest of is vertaalde poëzie populairder?

Het probleem in het Nederlandse taalgebied is vooral dat heel veel mensen poëzie proberen te schrijven en er relatief zeer weinig poëzie wordt gelezen. Met alle negatieve gevolgen van dien, dat wil zeggen, een hoge productie van zwakke gedichten, die men vooral op het internet zet, waar geen redacteur is die een onrijpe of talentloze dichter tegen zichzelf kan beschermen. Uit de verkoopcijfers blijkt, maar ik weet niet hoe dat in de bibliotheken is gesteld, dat vertaalde poëzie nog minder wordt gelezen dan oorspronkelijke Nederlandse poëzie. Ik betreur dat als vertaler uiteraard zeer.

U onderhoudt nauw verbanden met Griekenland. Zou u ons wat meer daarover willen vertellen?

Ik heb hechte banden met Griekenland. Ten eerste was ik getrouwd met de Griekse dichteres en vertaalster Stella Timonidou, die helaas in 2007 overleed. Met haar vertaalde ik poëzie vanuit het Grieks naar het Nederlands. Zij vertaalde Nederlandse en Engelse literatuur naar het Grieks. Zij is ook de vertaler van mijn boek over de geschiedenis van Cyprus (Afrodite en Europa. Een beknopte geschiedenis van Cyprus van de prehistorie tot heden. Uitgave: University Studio Press, Thessaloniki 2005).

Mijn tweede band met Griekenland en Cyprus is de geschiedenis. Ik ben gespecialiseerd in de geschiedenis van het Moderne Griekenland en Cyprus en daarover publiceer ik regelmatig in tijdschriften. Ook geef ik nu en dan een gastcollege bij het Instituut voor Nieuwgrieks aan de Universiteit van Amsterdam en lever ik regelmatig commentaar op de Nederlandse radio over actuele onderwerpen betreffende Griekenland en Cyprus. Ik woon een deel van het jaar in Thessaloniki en heb veel familie en goede vrienden in Griekenland en op Cyprus.

Wat is uw mening over moderne Griekse proza en Griekse poëzie?

Voor zover ik het eigentijdse Griekse proza en de poëzie ken, valt mij op dat die meer in een literaire traditie lijkt te staan dan in Nederland. Met Stella publiceerde ik in 2004 een bloemlezing van Cypriotische literatuur. De hoge kwaliteit daarvan vond ik verrassend en inspirerend. Dat geldt mutatis mutandis ook voor de literatuur die in Griekenland wordt geschreven. En natuurlijk kent de Griekse diaspora ook een aantal uitstekende eigentijdse dichters en schrijvers, zoals Tom Petsinis uit Australië en anderen, al publiceren die in eerste instantie niet in het Grieks.

Behalve de ‘grote namen’ zoals Kavafis en misschien de Griekse Nobelprijswinnaars, Griekse poëzie is zo goed als onbekend in Nederland. Bent u mee eens?

Nee, dat ben ik niet helemaal met u eens. Behalve onze bloemlezing over Cypriotische literatuur, hebben we een kloeke bloemlezing van Griekse poëzie in Nederland (Spiegel van de Griekse poëzie, uitgave Meulenhoff, Amsterdam), waarvan de laatste editie tot 2000 is bijgewerkt door de beroemde Kavafisvertalers Hans Warren en Mario Molegraaf. Daarnaast worden er met enige regelmaat moderne Griekse dichters vertaald en gepubliceerd door uitgeverij Ta Grammata. In 2006 waren zes Griekse dichters te gast bij Poetry International in Rotterdam en het voormalige tijdschrift De Tweede Ronde gaf tweemaal een speciaal nummer uit over Griekse literatuur. Een tijdschrift als Lychnari besteedt regelmatig aandacht aan Griekse dichters en schrijvers. Wie dat wil kan in Nederland een behoorlijk beeld krijgen van de Griekse poëzie.

Wie zijn uw favoriete prozaschrijvers en dichters uit Griekenland?

Ik zal u niet vermoeien met al te veel namen, maar enkele dichters die mij bijzonder aanspreken (behalve klassieken als Solomos, Seferis, Ritsos en Kavafis) zijn Nikoforos Vrettakos, Anestis Evangelou, Kyriakos Charalambidis, Niki Marangou, Kostas Karyotakis, Michalis Pieris, Stephanos Stephanidis (al publiceert hij voornamelijk in het Engels), Nikos Kavvadias, Thanasis Georgiadis en Theodosis Nikolaou. Ik doe een groot aantal andere dichters tekort door hen niet te noemen, maar de lijst zou anders veel te lang worden. Dat geldt ook voor de prozaschrijvers, daarom noem ik maar mijn top-drie van het ogenblik: Nikos Kazantzakis, Kostas Tachtzis en Pavlos Matesis.

Stelt u voor dat iemand niks van Nederlandse poëzie wist en u vraagt «wie zijn de 3-5 belangrijkste dichters om mee te beginnen?». Welke namen zou u als eerst “aanbevelen”?

Dat is wel een moeilijke vraag. Uit de negentiende eeuw Jacques Perk en Willem Kloos. Daarna uit de 20e/21e wellicht J.W.F. Werumeus Buning, Hans Warren, Remco Campert, C.O. Jellema en Job Degenaar, maar zo’n rijtje is zeer arbitrair.

Welke dichters vormden een inspiratie voor uw werk?

Ik beperkt me tot de Nederlandse dichters die vormend waren voor mijn werk. Dat waren respectievelijk C. Buddingh”, Remco Campert en Jan Eijkelboom.

Is er nog iets die u zou willen vertellen naar de lezers van taal.gr? Indien ja, we horen het graag.

Ik denk dat ik het hierbij maar moet laten. Ik hoop in ieder geval dat de lezers evenveel genoegen en inspiratie putten uit het lezen van poëzie als ik.

Dank u wel!