Interview met Mario Molegraaf

Standard
Ο Mario Molegraaf με τον Hans Warren

Mario Molegraaf (links) en Hans Warren

Hoe is uw relatie met Griekenland en de Griekse taal tot stand gekomen?

In het artikel ‘De eerste stap’ (opgenomen in mijn boek Het wekkertje van 23:34) heb ik uitvoerig geschreven over mijn eerste reis naar Griekenland, in 1979, ik vierde er mijn negentiende verjaardag. Zoals bij zo velen ging aan mijn belangstelling voor het hedendaagse Griekenland en het moderne Grieks de interesse voor de Oudheid en het antieke Grieks vooraf. De schakel tussen deze werelden, het oude Hellas en het nieuwe Griekenland, kan ik nog precies aanwijzen: dat was de poëzie van Kavafis.

Grieks is niet de enige taal waaruit u vertaalt. Wat zijn de bijzonderheden van het vertalen uit het Grieks in vergelijking met andere talen?

Ook wat de Griekse vertalingen betreft, zijn de verschillen enorm: ik vertaalde Plato, de Evangeliën, moderne poëzie. Inderdaad vertaal ik onder meer ook uit het Engels en het Frans, altijd met veel plezier en opperste inzet, maar ik durf toch wel te bekennen dat de drijfveer achter de vertalingen uit het Grieks altijd liefde is geweest, het ging steeds om teksten die Hans Warren en ik bewonderden en zelf uitkozen. Voor het andere vertaalwerk geldt doorgaans dat ik ervoor wordt gevraagd en dus de teksten niet zelf selecteer. Jarenlang heb ik me met het werk van Plato bezig gehouden, eerst samen met Hans Warren, later alleen. Het vertalen is ook mijn beroep, mijn belangrijkste bron van inkomsten. Toen het werk aan Plato was afgerond, werd me duidelijk dat je niet (alleen) van vertalen uit het Grieks kunt bestaan. Vandaar de overstap. Natuurlijk moet je voor een vertaling uit een andere taal uit andere kennis putten. Maar in mijn beleving vergt het vertalen van een tekst van Plato of van een gedicht van Kavafis ook heel andere vaardigheden. Als vertaler ben je uiteindelijk toch steeds met dezelfde puzzel bezig, of je nu een journalistiek werk dan wel een experimenteel gedicht omzet: beleeft de Nederlandstalige lezer hetzelfde als de lezer van de oorspronkelijke tekst?

Samen met Hans Warren, heeft u de anthologie ‘Spiegel van de Griekse poëzie’ samengesteld. Wat waren de voornaamste criteria om de dichters en de gedichten van deze anthologie te selecteren?

Over die (altijd netelige) vraag hebben we het een en ander in het voorwoord gezegd. Een bloemlezing is, vind ik, niet bedoeld om de in de loop van de eeuwen gevormde ‘canon’ eens even omver te duwen. Aan de andere kant zou zo’n boek saai worden als je niet hier en daar wat persoonlijke accenten legt. Het voornaamste criterium was dus misschien wel kijken hoe belangrijk bepaalde dichters en gedichten volgens de naslagwerken zijn. Naarmate je dichter bij het heden komt, werkt deze methode uiteraard minder goed. Natuurlijk speelde ook de beschikbaarheid van vertalingen een rol. Maar (al is dat misschien niet zo zichtbaar) we hebben ook veel ‘nieuwe’ vertalingen laten maken, en zijn soms zelf aan het werk gegaan.

Samen met Hans Warren heeft u een zeer belangrijke rol gespeld in de kennismaking van de Nederlandse lezers met de Griekse literatuur. Wat is volgens u de relatie van het Nederlandse publiek met de hedendaagse Griekse poëzie en proza?

Misschien hadden we de tijd mee. In de jaren tachtig bestond in Nederland en Vlaanderen bij de pers en bij het publiek een oprechte interesse voor buitenlandse literatuur. Van die belangstelling is weinig meer over, de gordijnen zijn helemaal dicht. Als ik erover nadenk, kan ik slechts tot de schokkende conclusie komen dat er helemaal geen relatie meer bestaat tussen het Nederlandse publiek en de hedendaagse Griekse literatuur. Welke Nederlandse uitgeverij brengt nog Griekse literatuur uit? O ja, aan Griekenlandgangers geen gebrek, maar aan hun interesse en respect kun je ernstig twijfelen als je ziet hoe ze bijvoorbeeld een klooster in badkleding bestormen.

Griekse dichters klagen dat poezie niet veel gelezen wordt door het Griekse publiek of gepresenteerd wordt in de Griekse media. Denkt u dat de situatie wat betreft de Nederlandse poëzie en het Nederlandse publiek anders/beter is?

Wellicht is de situatie nog erger. Ik heb het idee dat Nederland minstens een miljoen mensen telt die gedichten schrijven en niemand die gedichten leest. Zelf, zo heb ik het gevoel, ben ik de grote uitzondering: ik schrijf nooit gedichten, maar lees iedere dag dichtbundels. Wel schrijf ik op diverse plaatsen óver dichters en gedichten, ook over de allernieuwste, namelijk in mijn poëzierubriek in de Wegener Dagbladen. Met die besprekingen bereik ik een groot publiek, en daaraan pas ik me ook aan, ik wil zoveel mogelijk mensen ervan doordringen dat de poëzie van vandaag wel degelijk bij het bestaan van vandaag hoort. Ik sta met die zendingsdrift betrekkelijk alleen vrees ik, te veel poëzierecensies zijn tot de zeer beperkte ‘incrowd’ gericht.

U was betrokken bij meerdere edities en herzieningen van de ‘Spiegel van de moderne Nederlandse en Vlaamse Dichtkunst’. Iedere anthologie zegt zowel iets over de gekozen dichters als over de samensteller. Wat was uw belangrijkste uitgangspunt bij het samenstellen van de laatste editie van de Spiegel?

Ik vrees dat de zendingsdrift uit mijn vorige antwoord de doorslag gaf. Ik verwijs graag naar de laatste alinea’s uit mijn verantwoording van de Spiegel uit 2005.

Daar staat: «Gedichten zijn er niet voor dichters, niet voor bloemlezers, maar voor lezers. Zij beslissen wie gelezen wordt, zij zijn dat spiegeltje, spiegeltjie aan de want.»

Hoe zou u uw benadering tot de poëzie omschrijven? Wat voor poëzielezer bent u?

Zoals ik al aangaf, heb ik het idee Nederlands laatste poëzielezer te zijn. Ik heb boekenkasten vol Nederlandse dichtbundels en bezit niet één roman. Ik lees nooit een roman uit, na één bladzijde word ik al ongeduldig. In een goed gedicht gebeurt meestal honderd keer meer dan in zo’n veelgeprezen prozaboek. Natuurlijk heb ik mijn voorkeuren, maar ik geloof dat mijn poëtische smaak zeer breed is.

Wie zijn uw favoriete prozaschrijvers en dichters uit Griekenland?

Proza is mijn genre niet zoals gezegd, maar favoriete Griekse dichters heb ik vele, en het zal geen verrassing zijn dat Kavafis nog steeds mijn nummer één is en Seferis nummer twee. De Nederlandse poëzie zit me in het bloed en volg ik op de voet. Dat kan ik van de Griekse poëzie niet zeggen, maar ik weet net genoeg om te kunnen zeggen dat die misschien niet bruist maar beslist ook géén stagnerende poel is. Liefst zou ik (maar de praktische bezwaren die ik in mijn antwoord op vraag 4 noemde, zullen wel te groot zijn) de Spiegel van de Griekse poëzie een opknapbeurt geven, om duidelijk te maken dat er leven is na Kavafis en Seferis.

Dank u wel!